Atletiek

De oudste sport ter wereld is atletiek, tevens een belangrijke sport tijdens de Olympische Spelen, waarbij de 100m sprint het meest bekeken onderdeel is. Atletiek is voor jong en oud en omdat het zoveel verschillende onderdelen bevat is het een sport waar je altijd wel ergens in uit blinkt.

 

Atletiek voor kinderen(algemeen)

Atletiek is er al voor kinderen vanaf 4 jaar, maar ze doen dan nog niet mee aan wedstrijden. Pas vanaf 6 jaar maken kinderen kennis met de eerste echte atletiek onderdelen en kunnen zij meedoen aan competities. Jouw kind start dan als ‘pupil’ in atletiek en in principe wordt aan alle onderdelen van de atletiek gedaan. Zij het in eerste instantie op een kinderlijke wijze, om het kind in de loop der jaren voor te bereiden op de echte wedstrijdelementen in de atletiek. Tussen 6 en 12 jaar zullen voornamelijk de volgende onderdelen aan bod komen: sprint, balwerpen, hoogspringen, verspringen en de lange afstand. Die varieert van 600 tot 1.000 meter. Vanaf 12 jaar (D-junioren) zal het kind zich gaan specialiseren in een bepaald onderdeel binnen de mogelijkheden bij atletiek.

Speciaal voor de jeugd is een aantal atletiek projecten bedacht. En die zijn dan onderverdeeld in atletiekprogramma’s voor het onderwijs (basisonderwijs en het voortgezet onderwijs) of voor de vereniging. Daarnaast is de jeugd bij atletiek opgedeeld in twee leeftijdscategorieën met voor beide groepen een eigen competitie: – Pupillen A, B en C – tot en met 11 jaar – Junioren A, B, C en D – 12 tot en met 19 jaar

 

Bron: atletiek.nl

 

 

Kleding, schoenen en materialen

Voor atletiek heb je uiteraard sportkleding nodig. Maar de schoenen zijn het meest belangrijke bij atletiek. Het hebben van goede schoenen is eigenlijk wel een must en als je kind bijzonder veel traint zijn schoenen met spikes aan te raden. Spikes zijn metalen puntjes die aan de onderkant van de schoen worden vastgezet, om zo een betere grip op de atletiek baan te krijgen. Op elke club kunnen ze je vertellen welke schoenen je het beste kunt aanschaffen, omdat elk onderdeel in de atletiek weer een andere aanbeveling voor spikes heeft.

Atletiek is onder te verdelen in drie hoofdonderdelen – Looponderdelen – Springonderdelen – Werponderdelen

Looponderdelen bij atletiek

Sprinten

De regels
Bij het sprinten moet er worden gestart uit een startblok. De meest gelopen sprintafstanden zijn 40m, 60m, 80m, 100m, 200m en 400m. Tijdens de sprint moet er binnen de eigen baan gelopen worden. De lijnen mogen niet overschreden worden, wanneer dit wel gebeurt kan een atleet gediskwalificeerd worden. De nummers van de atleten zitten bij de sprint op de rug.

Materiaal
Voor het sprinten worden spikes gebruikt. De spikes geven extra grip en hebben een hoger staande (iets gekantelde) neus om afzet met de “bal” van de voet de verbeteren.

 

Wedstrijdreglement voor pupillen
Bij de start van de looponderdelen is het toegestaan dat familieleden, begeleiders of trainers een pupil assisteren bij het aan- en uitkleden en het gereedmaken van de startblokken. Pupillen zijn niet verplicht van startblokken gebruik te maken. De starter kan een pupil na een valse start waarschuwen zonder hem hiervoor verder te bestraffen. Als een pupil tijdens de 40m of 60m komt te vallen en er na oordeel van de scheidsrechter niet van opzet sprake is, mag hij de afstand overlopen, bij voorkeur in een andere serie.

Hordenlopen

Horden (100m (vrouwen), 110m (mannen) en 400m  De hordeloop bij atletiek is een combinatie van een loop en een springonderdeel. De lopers komen tijdens hun sprint op regelmatige afstanden een horde tegen. De hordes kunnen tijdens de race omver worden gelopen, maar de loper vermijdt dit liever omdat dit ten koste gaat van de snelheid. De regels Bij hordenlopen moet de atleet tijdens het lopen van een bepaalde afstand een aantal keer over een zogenaamde “horde” springen. Een horde is een hekje dat op de loopbaan van iedere atleet staat. De hoogte varieert per afstand, net als de afstand tussen iedere horde. Als de atleet over de horde springt, mag zijn voet of been niet langs de horde bewegen. Tenslotte mag de atleet zoveel hordes omlopen als hij wilt. Besef echter wel dat het omlopen van een horde tijd kost. Let er op dat de schouders recht gehouden worden, dus loodrecht op de looprichting. Om dit te bereiken moet je, als je rechts afzet, je linkerarm bij het springen naar voren zwaaien. Als je links afzet zwaai je je rechterarm naar voren. De landing van het voorste been wordt vlak na de horde geplaatst vervolgt door een grote pas van het achterste been om snelheid te behouden.

Estafette

Estafettes (4x100m, 4x200m, 4x400m, 4x800m en 4x1500m) De estafette is het teamonderdeel binnen de atletiek. Vaak worden de estafettes aan het eind van een kampioenschap gehouden en vormt dit een van de hoogtepunten voor een atletiekploeg. De atleten moeten na hun race op volle snelheid een estafettestokje doorgeven binnen een vastgesteld wisselvak. De regels Bij de estafette loop je met meerdere mensen een afstand. Ieder loopt namelijk een stukje van de totale afstand. Bij het wisselen van loper moet er een (holle) estafettestok doorgegeven worden. Deze stok is minimaal 28 en maximaal 30 cm lang. Bij de langere estafettenummers hoeft er geen stok doorgegeven te worden maar is het aantikken van de volgende loper voldoende. Verder mag de volgende loper bij de korte afstanden een “aanloop” van 10 meter maken. Hij kan dan alvast op snelheid komen voordat hij de stok overpakt. De verschillende estafettenummers en de bepalingen per nummer staan hieronder op een rij:

Lengte Categorie Wisselen 10m aanloop Afzonderlijke banen
4x40m Pupillen B,C stok toegestaan gehele loop
4x60m Meisjes Junioren D, Pupillen A stok toegestaan gehele loop
4x80m Meisjes Junioren C, Jongen Junioren D stok toegestaan gehele loop
4x100m dames/heren stok toegestaan gehele loop
2x200m dames/heren stok toegestaan min. 500m
4x400m dames/heren stok verboden min. 500m
4x800m dames/heren aantikken verboden eerste 100m
4x1500m heren aantikken verboden n.v.t.

Techniek Een belangrijk onderdeel van estafette is het doorgeven van het estafettestokje. Als dit niet goed gebeurt, kan hierbij veel tijd verloren gaan! De brenger loopt van achter op de ontvanger af. Hij heeft hierbij het stokje in de rechterhand. Als hij bij de ontvanger is, “slaat” hij het stokje van onder in de linkerhand van de ontvanger. De ontvanger moet klaarstaan met de linkerarm gebogen in de elleboog. Zijn duim en aangesloten vinger vormen een vork wijzend naar beneden. Na het aanpakken moet de ontvanger het stokje naar de rechterhand overpakken.

Triatlon

Een triatlon is een combinatie van drie sporten die achtereenvolgend in het zelfde evenement worden uitgevoerd. De meest voorkomende versie van een triatlon bevat zwemmen, wielrennen en hardlopen als de drie onderdelen. Hierdoor worden er dus drie verschillende disciplines gecombineerd tot één evenement dat een extreme tol eist op je uithoudingsvermogen. Een triatlon lopen doe je dan ook niet zomaar, maar vergt zeer veel training en vooral doorzettingsvermogen om een triatlon te kunnen lopen.

Hoe ziet een triatlon er uit?

Doorgaans begint een standaard triatlon in het water, waarbij je 1500 meter moet zwemmen totdat je bij het volgende onderdeel aan komt. Hier staat een fiets klaar waarmee je 40 kilometer moet wielrennen. Wanneer de 40 kilometer wielrennen erop zitten is het tijd voor het laatste onderdeel, namelijk het hardlopen. De afstand bedraagt 10 kilometer en als je deze uitloopt dan heb je een standaard triatlon gelopen. Voor veel atleten is de oorspronkelijke triatlon de Ironman Hawaï, waarbij er 3,8 km word gezwommen, 180 kilometer wordt gefietst en 42,195 kilometer hard wordt gelopen.

Een triatlon is niet voor iedereen weggelegd

Doordat het zo enorm zwaar is, is het uitlopen van een triatlon geen gemakkelijke opgave. Het is dan ook aan te raden om een goede voorbereiding te nemen en er goed over na te denken of je het gaat halen. Zorg er dus voor dat je ruim op tijd begint met trainen en zo goed mogelijk voorbereid aan de start verschijnt. Dit niet alleen om er voor te zorgen dat je de finish haalt, maar ook om blessures te voorkomen.

Marathonlopen

Is jouw kind verslaafd aan hardlopen? Dan zal een serieuze marathon wel een van de doelen zijn omdat bekend is dat veel hardlopers minimaal 1x in hun leven een marathon willen lopen. Een uitdaging, een ultieme doelstelling. Maar is het nou wel verstandig om je kind te laten trainen voor een marathon. We hebben op internet eea uitgezocht en vonden oa. Het volgende: Uit onderzoeken is bekend dat de hartlongcapaciteit van kinderen voor de puberteit van nature geen beletsels vormen tot duursporten zoals hardlopen. Integendeel, hun fitheid zal vergroten bij aerobe duurtraining. Dit past in het patroon van een gezonde leefstijl en verdient juist navolging, mits het gedoceerd en dus verantwoord gebeurt. Onder invloed van fysieke veranderingsprocessen in de puberteit neemt deze natuurlijke fitheid snel af, vooral als die niet wordt onderhouden. Minder positief is het verhoogde risico op klachten aan gewrichten en pezen. Onder vermoeidheid doorlopen, dagelijks eenzijdige duurlopen en elke week een wegwedstrijd kunnen overbelasting in de hand werken en goede intenties in de kiem smoren. Dit geldt met name wanneer er sprake is van groeiperiodes, zeker in de puberteit. Vermindering of zelfs tijdelijk stoppen van hardlopen is dan aan te bevelen. Voor de duidelijkheid staan onder de adviesleeftijden: Adviezen Jongens A (18-19 jaar) – Maximaal halve marathon (21,098 km) – Ekiden (halve marathonestafette); Jongens B (16-17 jaar) – Maximaal 10 Engelse mijl (16,090 km); Jongens C (14-15 jaar) – Maximaal 10 km; Jongens D (12-13 jaar) – Maximaal 4 Engelse mijl (6,437 km); Meisjes A (18-19 jaar) – Maximaal halve marathon (21,098 km); – Ekiden (halve marathonestafette); Meisjes B (16-17 jaar) – Maximaal 10 Engelse mijl (16,090 km); Meisjes C (14-15 jaar)- Maximaal 10 km; Meisjes D (12-13 jaar) – Maximaal 4 Engelse mijl (6,437 km); Deze tekst is tot stand gekomen na overleg met Atletiekunie Medische Commissie, Technische Staf Mila, Sector Loopsport en de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie.

Bron: www.atletiek.nl www.marathonbrabant.nl

 

Crosslopen

Crosslopen, oftewel lopen door het bos op (zand)paden, duinen of op het strand en niet op asfalt, maakt je sterker en kan minder belastend zijn voor de gewrichten. Wel is crosslopen blessuregevoeliger.

Waar te lopen? Mocht je niet naast het bos wonen dan is dat geen ramp, je kunt tegenwoordig namelijk op erg veel plaatsen trainen. Kijk maar eens of er een park in de buurt is, een school of universiteit, een golfbaan of natuurlijk gewoon een atletiekbaan (grasbaan).

Welke schoenen? Ben je klaar om te lopen dan moet je zorgen voor goed schoeisel. Schoenenfabrikanten maken speciale hardloopschoenen met stevigere zolen en duurzaam leer aan de bovenkant.

Moet ik verder ergens op letten? Vermijd in het begin super modderige paden maar wen al wel aan het idee vies te worden. Doe het de eerste paar keer ook rustig aan. Als je nooit eerder een cross hebt gelopen dan moeten je lichaam en je voeten wennen aan het terrein. Misschien is het goed om eerst het parcour een keertje te wandelen om gewend te raken. Het meest belangrijk is echter dat je niet vergeet te genieten! Lopen in de natuur is heerlijk dus kijk goed om je heen!

crossrunning waterdichtcrossrunning schoencrossrunning

Duurlopen

Hardlopen is voor bijna iedereen geschikt. Vrijwel iedereen die kan lopen, kan ook hardlopen. Wanneer er langere tijd achtereen veel kilometers worden gelopen is dit een vorm van duurlopen ofwel duursport. Hardlopen traint het uithoudingsvermogen en zorgt dat spieren worden opgebouwd. Sport voorziet het lichaam in de beweging die het nodig heeft. Wanneer men begint met lopen, dan is het vooral belangrijk om de tijd te nemen en rustig de trainingsintensiteit toe te laten nemen. Het is gebruikelijk om bij een vereniging aan te sluiten. De trainers zorgen hier voor advies zodat de loper minder snel geblesseerd raakt.

Drinken Bij duurlopen langer dan 1 uur en bij warm weer is het belangrijk om onderweg te drinken om het verlies aan vocht door transpireren te compenseren. Gewoon water is een mogelijkheid, maar water verblijft relatief lang in de maag wat door veel hardlopers als onplezierig wordt ervaren. Sportdrank is beter geschikt omdat hierin zouten en mineralen zijn opgenomen, die er voor zorgen dat de drank sneller in het lichaam wordt opgenomen. Tevens wordt het verlies van zouten en mineralen gecompenseerd, die zich in het transpiratievocht bevinden. Teveel drinken is echter ook niet goed.

Kleding Om te kunnen hardlopen is het dragen van goede hardloopschoenen noodzakelijk. Als dit niet het geval is, is de kans op een blessure groter. Hardloopschoenen zijn gemaakt om op hard te lopen. Dit betekent dat ze berekend zijn op de belasting die bij hardlopen plaatsvindt. Volgens specialisten dienen hardlopers hun schoenen ofwel na 1000 tot 1500 kilometer, ofwel na 2,5 jaar gebruik, te vervangen. Na die afstand of periode dempen de hardloopschoenen de schokken namelijk niet meer effectief. Verder zijn een comfortabel, functioneel (ademend en vocht-afvoerend) shirt en broek gewenst om zo comfortabel mogelijk te kunnen lopen.

Hardlopen

Hardlopen is toch wel de meest beoefende sport in Nederland. Dit komt omdat je hardlopen individueel en op je eigen tempo kan doen, maar ook in clubverband op bijvoorbeeld een harloopclub of een atletiekvereniging.

Kinderen en hardlopen

Een nieuwe ontwikkeling in het harloopcircuit is “kinderen die aan hardlopen doen“. Vroeger was hardlopen een onderdeel van verschillende sporten zoals atletiek, voetbal, hockey en een aantal andere sporten. Maar dit is inmiddels veranderd en mensen pakken het hardlopen vaak individueel op en wat je ook steeds meer ziet is dat ouders vaak een stukje in het bos gaan hardlopen met hun kind(eren). Voorheen waren expert van mening dat kinderen alleen korte afstanden mochten beoefenen omdat het slecht zou zijn voor de ontwikkeling van het kind. Maar tegenwoordig is daarin het tij gekeerd en zijn de meningen bijgesteld omdat de kinderen van tegenwoordig veel te weinig bewegen, meer TV kijken en op hun smartphones zitten. Daarom is voor kinderen, net als bij volwassenen, de noodzaak ontstaan om te gaan sporten.

Voordelen van hardlopen:
Hardlopen biedt een aantal voordelen, ook voor je kind.
– Het is een goedkope sport.
– Je hebt in feite alleen een paar hardloopschoenen nodig. Op die schoenen moet je overigens niks bezuinigen, die moeten goed zijn!
– Het is de meeste flexibele sport die er is: je kunt gaan wanneer je maar wilt en je kunt gaan lopen waar je maar wilt.

Dit zijn de voordelen voor ouder en kind.
– Je kind zal meer energie hebben en bij drukke jongens is het juist een goede manier om energie kwijt te raken.
– Je kind zal mentaal sterker worden door te gaan hardlopen.
– Als hij of zij een wedstrijd meepikt, dan is dit ook een leerzame ervaring. En, als je het op de goede manier aanpakt, is lopen met je kind ook gewoon leuk en gezellig.

Hardloopwedstrijden voor de jeugd:
De laatste jaren komen er steeds meer wedstrijden voor kinderen. En die wedstrijden worden ook door steeds meer kinderen gelopen. Meestal is dit 500 meter voor kinderen tot een jaar of 8, 1000 meter tot 12 jaar, 2,5 kilometer van 12 tot 16 jaar en boven de 16 jaar mag je aan het ‘echte’ werk meedoen.

Hardlopen en Hardloopschoenen Voor hardlopen raden wij aan om te beginnen met een goede uitrusting, waarvan de schoenen uiteraard de allerbelangrijkste zijn. De meeste mensen die geen goed schoeisel hebben, krijgen vaak als snel te kampen met (langdurige) blessures. Alle grote merken zoals onder andere Asics, Nike, Adidas, Saucony en Mizuno verkopen goede harloopschoenen.

harlopen.nl

Snelwandelen

Snelwandelen zit precies tussen lopen en rennen in. De belangrijkste regel is dat je voeten gelijktijdig van de grond mogen komen. De officiële definitie is: 1. Snelwandelen is het zich voortbewegen door middel van stappen waarbij het contact met de grond, voor zover (met het menselijke oog) zichtbaar, ononderbroken gehandhaafd blijft. Het voorste been moet gestrekt zijn (dat wil zeggen niet gebogen in de knie) vanaf het moment van het eerste contact met de grond tot het moment dat dit been zich in verticale stand bevindt. Er zijn verschillende afstanden mogelijk:

  • 3000 m snelwandelen indoor (vrouwen)
  • 5000 m snelwandelen indoor (mannen)
  • 10.000 m snelwandelen op de baan (vrouwen)
  • 20.000 m snelwandelen op de baan
  • 20 km snelwandelen op de weg
  • 30.000 m snelwandelen op de baan (mannen)
  • 30 km snelwandelen op de weg (mannen)
  • 50.000 m snelwandelen op de baan (mannen)
  • 50 km snelwandelen op de weg (mannen)

In Nederland zijn er maar weinig mensen die deze sport beoefenen.

Bron: http://www.sportvraagwijzer.nl/

Werponderdelen bij atletiek

Speerwerpen

Speerwerpen Bij het onderdeel speerwerpen wordt een aanloopstrook gebruikt om snelheid te ontwikkelen voordat de speer bovenhands wordt weggeworpen.

Haal diep adem. Kijk recht vooruit, start je aanloop en probeer de speer zover mogelijk te laten landen: zie de essentie van speerwerpen. Officieel heb je minimaal 33,50 meter voor de aanloop, dien je de speer in het midden vast te houden en mag je niet over de witte lijn aan het einde van de aanloop stappen. De punt van de speer moet als eerste de grond raken.

De regels
Het doel van speerwerpen is om de speer over een zo groot mogelijke afstand te werpen. Bij het landen op de grond moet de punt van de speer als eerste de grond raken.

De speerwerper mag een aanloop van maximaal 36,5 meter nemen. Tijdens de aanloop moet de speer naar voren wijzen. De speerwerper mag tijdens de aanloop en het werpen het einde en de zijkanten van de aanloopbaan niet overschrijden.

Iedere atleet mag tijdens een wedstrijd 3 keer werpen. De speer moet binnen de sectorlijnen landen. Dit zijn lijnen die hun oorsprong hebben in het zogenaamde 8 meter punt. Vanaf daar maken ze een hoek van 28 graden met elkaar

Na een worp gebruikt men een meetlint om de geworpen afstand op de meten. De gemeten afstand is de afstand tussen het punt waar de speer neerkomt (het “0-punt”) en de afwerpboog.

Materiaal
De speer waarmee gegooid wordt bestaat uit drie delen:

  • Een metalen punt.
  • Een schacht van metaal.
  • Een handvat van koord.

Het handvat moet rond het zwaartepunt van de speer aangebracht zijn.

De gewichten van een speer per categorie zijn:

  • Meisjes junioren B werpen met 600 gram.
  • Meisjes junioren A werpen met 600 gram.
  • Jongens junioren B werpen met 700 gram.
  • Jongens junioren A werpen met 800 gram.
  • Dames senioren/masters werpen met 600 gram.*
  • Heren senioren/masters werpen met 800 gram.*

* Masters mogen na een bepaalde leeftijd met een lichter gewicht werpen.

Techniek
Het is niet zo dat sterke spelers ook automatisch ver kunnen werpen. Bij speerwerpen is de techniek van het werpen namelijk erg belangrijk.

De basis van het speerwerpen is de standworp. De uitgangshouding hierbij is (voor rechtshandigen):

  • Het lichaamsgewicht op het gebogen rechterbeen.
  • Voeten wijzen in de werprichting.
  • De linkerlichaamszijde is naar de werprichting gekeerd.
  • De werparm is nagenoeg gestrekt naar achter.
  • De handrug wijst naar de grond.
  • De speerpunt bevindt zich op ooghoogte.
  • Je kijkt schuin omhoog, voorwaarts in de werprichting.

Wanneer de standworp beheerst wordt kan er geworpen worden met een 3-pas. Rechtshandigen beginnen deze aanloop door uit te stappen met het linkerbeen, vervolgens met rechts een grote pas schuin voorwaarts te maken en af te werpen terwijl het linkerbeen naar voren gaat.

Balwerpen

De regels
Het doel van balwerpen is om de bal over een zo groot mogelijke afstand te werpen.

De atleet mag tijdens de aanloop en het werpen het einde en de zijkanten van de aanloopbaan niet overschrijden.

Iedere atleet mag tijdens een wedstrijd 3 keer werpen. De bal moet binnen de sectorlijnen landen. Dit zijn lijnen die hun oorsprong hebben in het zogenaamde 8 meter punt. Vanaf daar maken ze een hoek van 28 graden met elkaar.

Na een worp gebruikt men een meetlint om de geworpen afstand op de meten. De gemeten afstand is de afstand tussen het punt waar de bal neerkomt (het “0-punt”) en de afwerpboog.

Materiaal
Er wordt geworpen met hiervoor speciale ballen. Per categorie wordt er met een ander gewicht geworpen:

  • 170-200 gram (pupillen A)
  • 140-160 gram (pupillen B)
  • 80-100 gram (mini)

Techniek
Het is niet zo dat sterke spelers ook automatisch ver kunnen werpen. Bij balwerpen is de techniek van het werpen namelijk erg belangrijk.

De basis van het balwerpen is de standworp. De uitgangshouding hierbij is (voor rechtshandigen):

  • Het lichaamsgewicht op het gebogen rechterbeen.
  • Voeten wijzen in de werprichting.
  • De linkerlichaamszijde is naar de werprichting gekeerd.
  • De werparm is nagenoeg gestrekt naar achter.
  • De handrug wijst naar de grond.
  • Je kijkt schuin omhoog, voorwaarts in de werprichting.

Wanneer de standworp beheerst wordt kan er geworpen worden met een 3-pas. Rechtshandigen beginnen deze aanloop door uit te stappen met het linkerbeen, vervolgens met rechts een grote pas schuin voorwaarts te maken en af te werpen terwijl het linkerbeen naar voren gaat.

Discuswerpen

Discuswerpen De discuswerper maakt anderhalve draai in de discusring waarmee hij probeert de ufo-gevormde discus op de juiste manier weg en zo ver mogelijk te werpen. Techniek, kracht en een goede controle over het lichaam zijn voorwaarden om in dit onderdeel uit te blinken.

Het discuswerpen is één van de disciplines in de atletieksport. Hierbij wordt een lensvormige discus weggeslingerd. De mannen werpen een discus met een gewicht van 2 kilo en 220 mm doorsnede, terwijl bij de vrouwen de discus 1 kilo weegt bij een doorsnede van 181 mm. Bij junioren en masters wordt met andere gewichten geworpen.

De regels
De discus wordt geworpen vanuit een betonnen ring van 2,50 m doorsnede, met opstaande kanten van bandijzer die een hoogte van slechts 14-26 mm hebben.

De ‘aanloop’ bij het discuswerpen bestaat uit rotaties van de werper, die daarbij binnen de ring moet blijven.

Om veiligheidsredenen staat om de ring een werpkooi van gaas met slechts aan één zijde een opening. Een worp is slechts dan geldig, wanneer de discus landt in een sector van 34,92°, en als de werper de ring verlaat, nadat de discus geland is. De ring moet vanuit de achterste helft van de ring verlaten worden.

De werpafstand wordt gemeten van de rand van de ring tot de dichtstbijzijnde afdruk die de discus in het veld maakt. Bij de meeste wedstrijden krijgt iedere werp(st)er drie pogingen, waarna de beste zes of acht atleten nog drie extra pogingen mogen doen.

Materiaal
Een discus bestaat uit een houten of kunststof middendeel met daaromheen een vrij smalle metalen rand. Bij de discus is qua vorm weinig variatie toegestaan, maar er is wel variatie in de gewichtsverdeling.

Bij disci voor topwerpers kan tot meer dan 90% van het gewicht in de rand van de discus zitten, terwijl dat bij eenvoudige disci slechts zo’n 70% is.

Bij het discuswerpen wordt gebruikt gemaakt van speciale schoenen met weinig profiel aan de onderkant van de schoen. Hierdoor is het draaien in de ring mogelijk.

Per leeftijdscategorie wordt er met een apart gewicht geworpen:

  • Meisjes junioren B werpen met 1 kg.
  • Jongens junioren B werpen met 1,5 kg.
  • Meisjes junioren A werpen met 1 kg.
  • Jongens junioren A werpen met 1,75 kg.
  • Dames senioren/masters werpen met 1 kg.*
  • Heren senioren/masters werpen met 2 kg.*

* Masters mogen na een bepaalde leeftijd met een lichter gewicht werpen.

Techniek
Van zeer groot belang is dat de discus ontspannen wordt vastgehouden. De discus ligt “losjes” in de hand. De rand van de discus ligt op de laatste vingerkootjes. Zeker GEEN grijpbeweging maken.

Afwerpen met de wijsvinger of de middelvinger.
Bij een rechtshandige werper roteert de discus MET de klok mee.

Hieronder is het werpen van de discus weergegeven:

  • Tijdens deze fase zijn de benen 30 – 60 graden gebogen.
  • Het lichaamsgewicht is evenredig verdeeld over beide benen.
  • Tijdens deze fase moet men de schouderas zoveel mogelijk horizontaal houden.
  • Armen zijn in elkaars verlengde.
  • De discus wordt zoveel mogelijk ook horizontaal ingezwaaid.
  • Tijdens dit inzwaaien wordt de discus zover mogelijk naar achter gebracht.
  • Hierna begint het eigenlijke discuswerpen.
  • De linker knie draait in de werprichting.
  • Deze fase eindigt wanneer bij het ingaan van de draai de rechtervoet lost komt van de grond, waarna overgegaan wordt op de 1e éénbenige fase.
  • Deze fase behelst het moment van plaatsing van de rechtervoet in het midden van de ring tot het moment dat de linkervoet voorin de ring de grond raakt.
  • Het is uitermate belangrijk dat de rechtervoet ongeveer in het midden van de ring geplaatst wordt.
  • Het zou zelfs mogelijk zijn om de rechtervoet net over het midden van de ring te plaatsen.
  • De plaatsing van de rechtervoet dient minimaal op 12 uur te zijn.
  • Een zeer belangrijk observatiepunt is dat op het moment van landing van de rechtervoet, deze samen met de rechterheup en de rechterschouder één rechte lijn vormen.
  • Nadat de rechtervoet geplaatst is wordt het linkerbeen zo kort mogelijk langs het rechterbeen naar de voorzijde van de ring gebracht.
  • De rechtervoet blijft na plaatsing direct DOORROTEREN in de werprichting.
  • Vanuit de Power Position wordt het lichaamsgewicht tegen het linkerbeen “aangedrukt”.
  • De heupen worden zover mogelijk explosief naar voren gedraaid.
  • Blokkeren aan de linker lichaamszijde = snelheidsverhogend voor de rechterzijde.
  • Lichaam rechtop houden.
  • Een overhellen naar rechts tijdens de afworp zelf is toegestaan.
  • Na de afworp blijft de atleet staan
Kogelstoten

Kogelstoters staan in hun uitgangspositie met hun rug naar de werprichting. Ze maken vervolgens een aanglij-beweging binnen de cirkel of gebruiken een draaitechniek om vervolgens de kogel vanuit hun nek weg te stoten.

 

De regels Bij kogelstoten moet de atleet een kogel zover mogelijk de sector in stoten. Het stoten moet beginnen vanuit stilstand binnen een ring. Deze ring heeft een diameter van 2,135 meter. Een deel van de omtrek van de ring bestaat uit het stootblok, welke 10 cm boven het oppervlak van de ring uitsteekt. Het “werpen” van de kogel is verboden. De kogel moet zich dan ook bij het begin van de stoot dichtbij de kin en voor het vlak van de schouder bevinden. Tijdens de stoot en de voorbereidingen daarop mag de atleet niet buiten de ring komen. De atleet mag zijn of haar voet tegen het stootblok plaatsen. De kogel moet binnen de sectorlijnen neerkomen. De sectorhoek bij kogelstoten is 34.92 graden. De gestoote afstand wordt gemeten tussen de dichtbijzijnde indruk van de kogel (het “0-punt”) en de binnenzijde van het stootblok. Iedere deelnemer mag 3 keer stoten. Na deze 3 stoten telt de beste stoot. Na de poging moet de atleet aan de achterkant van de ring uitstappen (over de middenlijn). Materiaal De zwaarte van de bal hangt af van de gewichtklasse en sekse. De gewichten lopen uiteen van 1 kilogram tot en met 7,26 kilogram. Gewichten van de kogel per categorie:

  • Pupillen C stoten met 1 kg
  • Pupillen B stoten met 2 kg
  • Pupillen A stoten met 2 kg
  • Meisjes junioren D stoten met 2 kg
  • Jongens junioren D stoten met 3 kg
  • Meisjes junioren C stoten met 3 kg
  • Jongens junioren C stoten met 4 kg
  • Meisjes junioren B stoten met 3 kg
  • Meisjes junioren A stoten met 4 kg
  • Jongens junioren B stoten met 5 kg
  • Jongens junioren A stoten met 6 kg
  • Dames Senioren/Masters stoten met 4 kg*
  • Heren Senioren/Masters stoten met 7,25 kg*

* Masters mogen na een bepaalde leeftijd met een lichter gewicht stoten. Bij kogelstoten worden speciale schoenen gebruikt met een gladde zool. Omdat er geen (of nauwelijks) profiel op de zool zit is het aanglijden in de ringen mogelijk. Techniek Let erop dat je de kogel goed vasthoudt: de vingers licht gespreid, duim en pink ondersteunen de kogel aan de zijkant. De kogel moet op de vingers liggen, dus niet op de handpalm. De basisbeweging voor kogelstoten is de standstoot. Deze gaat als volgt:

  • De kogel stevig in de hals drukken en je kin op de kogel leggen.
  • Elleboog van de stootarm halfhoog.
  • Vrije arm ontspannen voor het lichaam.
  • Je kijkt ongeveer 5 meter verder op de grond, in de tegenovergestelde richting als waarin je gaat stoten.
  • Voetplaatsing volgens de tekening.
  • Lichaamsgewicht op het rechterbeen.

Wanneer de atleet de standstoot techniek beheerst kan er met de aanglijtechniek gestoot worden.

Kogelslingeren

Hamerslingeren heette voorheen het huidige kogelslingeren, omdat deze sport vroeger met hamers werd uitgevoerd. Kogelslingeren of hamerslingeren (bron: wikipedia) is een onderdeel binnen de atletiek waarbij een kogel, die bevestigd is aan een staalkabel met een handvat, zo ver mogelijk moet worden weggeslingerd. De naam hamerslingeren is afgeleid van oudere wedstrijden waar werkelijk een hamer geworpen werd. Dergelijke wedstrijden bestaan nog altijd in de Schotse Highland Games, waar men een stalen of loden gewicht gebruikt aan het eind van een stok. Verwant aan het kogelslingeren is het gewichtwerpen, waar het werptuig een zwaardere kogel is aan een korte ketting (zie foto) Kogelslingeren voor mannen is een olympische sport sinds 1900. Voor vrouwen voerde de IAAF de competitie pas in in 1995, en het stond voor het eerst op het programma bij de Olympische Zomerspelen van 2000 van Sydney.

Kogelslingeren De kogelslingeraar draait minstens twee maal met zijn kogel door de ring voordat het projectiel, een ijzeren kogel aan een staaldraad, wordt gelanceerd. De kracht en geweld van dit nummer maken dit onderdeel tot een spectaculaire gebeurtenis

De regels
Kogelslingeren (ook wel hamerslingeren) is een onderdeel binnen de atletiek waarbij een kogel, die bevestigd is aan een staalkabel met een handvat, zo ver mogelijk moet worden weggeslingerd. De werpring meet 2,135m (7 voet) in doorsnede. De afstand van de worp hangt af van een een aantal factoren: de snelheid van de slingerkogel bij het loslaten, de verticale hoek waaronder geworpen wordt en uiteraard de juiste richting. De kogel dient binnen een bepaald gebied (de werpsector) terecht komen. Valt de kogel daarbuiten, of stapt de atleet uit de afwerpring (bijvoorbeeld door het verlies van het evenwicht), dan wordt de worp ongeldig verklaard. De sector waarbinnen de kogel dient te landen is 34,92°. De wand van de kooi bestaat uit een net van stevig touw en in de opening van de kooi zitten aan weerszijden deuren. Bij rechtshandige werpers staat de linkerdeur dicht, bij linkshandigen de rechter. De opening is 6 meter breed (met de deur dicht 4m) en moet zich 7 meter vóór het centrum van de werpring bevinden. De deuren van de kooi moeten 10 meter hoog zijn. Dit alles maakt dat de kogel bijna niet meer buiten de sector kan landen, maar heeft ook als gevolg dat het handvat bij een in de goede richting geworpen kogel soms toch het net raakt, wat een mindere werpafstand zal opleveren.

Materiaal
Bij het kogelslingeren is een handschoen en een slingerkogel nodig. De handschoen dient ter bescherming.

Techniek De grootste afstanden worden bereikt door de kogel meerdere keren rond het hoofd te draaien, en daarna zelf snel met de kogel mee te draaien vooraleer deze los te laten vooraan in de werpcirkel.Veel topwerp(st)ers maken vier draaien in de ring, drie draaien komt echter ook voor. Een enkeling maakt vijf draaien, maar het wereldrecord bij de mannen is geworpen na drie draaien. Het toevoegen van een extra draai betekent dat de kogel meer versneld zal kunnen worden, maar betekent ook dat de kans op balansverstoring nog groter wordt.Voor de meesten ligt het optimum daarom bij drie of vier draaien, een draai meer leidt niet tot betere prestaties. Balans is nu eenmaal enorm belangrijk en maakt trouwens dat kogelslingeren minder zwaar is dan de leek zou denken.Misschien is het ook moeilijker dan het in eerste instantie lijkt, het nummer vereist een zeer lange leerperiode.

Springonderdelen bij atletiek

Hinkstapspringen

Hinkstapspringen lijkt redelijk op het verspringen wat we verderop ook omschrijven bij verschillende mogelijkheden in de atletiek, maar toch heeft het onderdeel zijn eigen specialisten. Het is een technisch onderdeel dat kracht, snelheid en coördinatievermogen vergt van de atleet. De atleet neemt een aanloop, maakt een hink, zet de stap en maakt daarna de sprong. Zowel de hink, de stap als de sprong kennen een techniek die kort na elkaar zo goed mogelijk moeten worden uitgevoerd.

Hoe gaat hinkstapspringen in zijn werk?
De naam van het onderdeel zegt eigenlijk precies wat er gebeurt. Een atleet landt na de eerste sprong op hetzelfde been als waar hij mee heeft afgezet (de hink), landt in de volgende sprong op het andere been (stap) en landt daarna in de zandbak (sprong).

Wat gebeurt er als een hinkstapspringer de bak niet haalt?
In dat geval is de poging ongeldig en wordt deze niet opgemeten.

Is er een maximale lengte aan de aanloop?
Nee, een atleet is vrij in zijn keuze van de lengte van zijn aanloop.

 

Hoogspringen

Bij hoogspringen nemen de atleten een aanloop en springen ze door middel van de flop over de lat heen. Dit is een sprong waarmee je rugwaarts over de hoogspring lat springt waarbij je maar met één voet mag afzetten. Wanneer je de lat raakt en deze naar beneden valt, is de poging mislukt.

Polsstokhoogspringen

Polsstokhoogspringen wordt ook wel het meest acrobatische atletiekonderdeel genoemd. De atleet heeft een lange stok in zijn handen en neemt hiermee een aanloop richting de lat. Door middel van de juiste insteek van de stok in de steekbak en een katapultachtige beweging omhoog, probeert de atleet over de lat heen te springen.

Bij polsstokhoogspringen wordt gebruik gemaakt van een lange flexibele stok waarmee enorme hoogtes gesprongen kunnen worden. Net als bij het normale hoogspringen wordt er een lat op twee palen geplaatst, welke bij aanraking omlaag valt. Hierbij moet je echt op je stok vertrouwen, aangezien je bij twijfel niet genoeg snelheid zult maken en de sprong waarschijnlijk niet gaat halen. De allereerst polsstokken waren gemaakt van hout, welke dus niet bepaald buigzaam waren. Tegenwoordig worden ze gemaakt van glasvezel en carbon, waardoor ze niet alleen erg buigzaam zijn, maar ook nog eens enorm veel kracht kunnen verduren. Voor wie is polsstokhoogspringen een leuke sport? Voor iemand die bang is van hoogtes raden we polsstokhoogspringen logischerwijs niet aan. Als je veel oefent zul je behoorlijke hoogtes halen en er zijn zelfs meerdere professionele atleten die hoger dan 6 meter kunnen springen. Iedereen die niet bang is om hoog in de lucht te hangen op een flexibele stok en die van een uitdaging houdt kan plezier beleven in polsstokhoogspringen. Niet alleen kun je concurreren met mensen waarmee je de sport beoefent, je bent ook constant jezelf aan het verbeteren. Hierdoor is het een leuke sport voor mensen die echt van een uitdaging houden. Wel dien je lid te worden van een atletiekvereniging, of je moet toevallig een volledige polsstokhoogspring opzet in je tuin hebben staan.

Verspringen

Verspringen is een atletiek onderdeel met weinig hulpmiddelen; een aanloop, de afzetbalk en de zandbak. Het basisprincipe is zo hard lopen als je kan en deze snelheid door middel van een explosieve afzet omzetten in een vlucht door de lucht.

Het hoeft niet ingewikkeld te zijn…Bij het verspringen gaat het er natuurlijk om wie het verste kan springen. Het is één van de onderdelen van atletiek. Na een goede flinke aanloop zet de atleet zich 1 meter voor een zandbak af en probeert dan zo ver mogelijk neer te komen. De gesprongen afstand wordt gemeten vanaf de afzetbalk tot aan het eerste punt waar de atleet terechtgekomen is.

Hoeveel pogingen krijgt een atleet?
Dat ligt eraan in welke ronde de atleet actief is. In de kwalificatie heeft iedere atleet 3 pogingen. De beste 12 atleten gaan door naar de finale. In deze finale begint de wedstrijd weer opnieuw. Iedere atleet krijgt weer 3 pogingen, na deze 3 pogingen krijgen de beste 8 atleten er nog eens 3.

Wanneer is een poging geldig?
Een poging is geldig wanneer een atleet afzet voor de balk zonder deze ook daadwerkelijk aan te raken. Het is echter wel zaak om zo dicht mogelijk bij de balk af te zetten, vanaf daar wordt immers gemeten, ongeacht waar er afgezet wordt.

Wie wint er bij een gelijke stand?
Bij een gelijke stand tussen 2 atleten wordt er gekeken naar de één na beste poging. Als deze ook gelijk is, wordt er gekeken naar de derde poging, enzovoorts, tot er een winnaar is.

Bijzondere onderdelen in de atletiek

Meerkampen

Bij de meerkampen zijn de regels van de onderlinge onderdelen iets anders dan bij de onderdelen apart . Een meerkamp atleet is een atleet die alles een beetje moet kunnen. Hij moet elk onderdeel goed kunnen en dan moeten ze zich specialiseren op 1 of 2 onderdelen om die te winnen. Zoals bij alle meerkampen wordt er bij deze ook met ene puntensysteem gewerkt en degene die het meeste punten heeft na het afwerken van alle onderdelen is de winnaar.

Vijfkamp
Een vijfkamp (of ook pentatlon genoemd) is een onderdeel dat alleen door vrouwen wordt gedaan en is in de atletiek een wedstrijd met vijf verschillende onderdelen die op 1 dag worden uitgevoerd – 60 meter horden – Hoogspringen – Kogelstoten – verspringen – 800 meter. Al deze 5 onderdelen worden op 1 dag afgewerkt , wel in de voormiddag een deel en de rest in de namiddag in die hierboven vermelde volgorde. De vijfkamp wordt alleen beoefend door de vrouwen. De winnaar van een meerkamp wedstrijd wordt bepaald door een puntensysteem dat te verdienen is bij elk onderdeel en degene met de meeste punten na het afwerken van alle onderdelen wint . In België was de bekendste vijfkampatleet Tia Hellebaut maar omdat ze zoveel succes had bij het hoogspringen doet ze niet of zelden nog aan meerkampen.

Zevenkamp
Bij een zevenkamp, ook wel heptathlon genoemd zijn er zeven verschillende onderdelen waaraan voldaan moet worden in een wedstrijd. De zevenkamp wordt beoefend op 2 dagen en bestaat uit 7 onderdelen. Bij de zevenkamp outdoor bij de vrouwen worden deze zeven onderdelen gelopen: – 100 meter horden – kogelstoten – hoogspringen – 200 meter – verspringen – speerwerpen – 800 meter Bij de zevenkamp indoor bij de mannen worden deze zeven onderdelen gelopen: – verspringen – 60 meter – kogelstoten – hoogspringen – 60 meter horden – polsstokhoogspringen – 1000 meter Zoals je kan zien zijn er tussen de zevenkamp indoor en outdoor wel enkele verschillen .

De tienkamp
de tienkamp of met een andere naam de “Decathlon” wordt beoefend door de mannen ook door de vrouwen maar meestal wordt er geopteerd voor de zevenkamp bij atletiekwedstrijden en het is ook een Olympische discipline. De tienkamp wordt ook gespreid over 2 dagen zoals de zevenkamp .Ook bij deze meerkamp worden de regels van de onderlinge onderdelen iets aangepast ,wel de kleinere regels zoals het aantal pogingen. Bij elk onderdeel kunnen de atleten punten verdienen en zo kan in een puntenklassement hun plaats bepaald worden. De tien onderdelen bij de tienkamp zijn :   – 100 meter – verspringen – kogelstoten – hoogspringen – 400 meter – 110 meter horden – discuswerpen – polsstokhoogspringen – speerwerpen – 1500 meter

De veertienkamp
De veertienkamp of met een andere naam de “tetradecatlon wordt beoefend door de vrouwen. Het is eigenlijk een dubbele zevenkamp en wordt dus ook verspreid over 2 dagen. De veertienkamp bestaat uit veertien onderdelen :   – 100 meter – hoogspringen – 1500 meter – 400 meter horden – kogelstoten – 200 meter – 100 meter – verspringen – 400 meter – speerwerpen – 800 meter – 200 meter horden – discuswerpen – 3000 meter

 

De twintigkamp
De twintigkamp of met een andere naam “icosathlon” is een dubbele tienkamp die wordt beoefend door de mannelijke atleten. Deze meerkamp word eveneens over 2 dagen gespreid en doordat het zoveel onderdelen zijn ,zijn het 2 zeer vermoeiende dagen voor de atleten . Het zijn zeer veel onderdelen en dus onmogelijk om op alle delen voluit te gaan daarom moet elke atleet kiezen bij welke onderdelen hij zich zal geven en proberen om te winnen. De 20 onderdelen van de twintigkamp zijn:   – 100 meter – verspringen – 200 meter horden – kogelstoten – 5000 meter – 800 meter – hoogspringen – 400 meter – kogelslingeren – 3000 meter steeple – 110 meter horden – discuswerpen – 200 meter – polsstokhoogspringen – 3000 meter – 400 meter horden – speerwerpen – 1500 meter – hink-stap-springen – 10.000 meter   Zoals je kan zien wordt er dikwijls afgewisseld van een technisch nummer naar een lange afstand lopen dus zeker niet zo simpel voor de atleten.

Bron: www.sportvraagwijzer.nl, www.atletiek.nl

Atletiek voor Gehandicapten

Natuurlijk kunnen gehandicapte mensen ook aan atletiek doen. Binnen deze sport zijn er specifieke onderdelen voor gehandicapte sporters, zoals het wheelen. Dit is vergelijkbaar met hardlopen, maar dan in een speciaal ontworpen rolstoel. Minder valide atleten kunnen eigenlijk aan alle onderdelen meedoen. En ook hier geldt dat als je heel goed bent, je kunt meedoen aan nationale en internationale toernooien, met als hoogtepunt de Paralympische Spelen.

Atletiek  –  Balsport  –   Behendigheidssport   –   Bewegingssport   –   Danssport   –   Denksport    –   Luchtsport    –   Motorsport
Paardensport   –   Racketsport   –   Schietsport   –   Vechtsport  –  Wandelsport   –   Watersport   –   Wielersport   –   Wintersport
Zwemsport   –   Overige Sporten